Onwetendheid
Onwetendheid
Bijbehorende terminologie:
Avidyā Pali: 𑀅𑀯𑀺𑀚𑁆𑀚𑀸, geromaniseerd: avijjā; Tibetaanse transliteratie: ma rigpa) vertaalt zich doorgaans als 'niet zien' of 'onwetendheid,
Echte onwetendheid
Epistemische onschuld
Primaire onwetendheid
Avidyā wordt binnen de boeddhistische leringen in verschillende contexten genoemd als onwetendheid of misverstand:
- Vier Edele Waarheden
- De eerste schakel in de twaalf schakels van afhankelijke oorsprong
- Verwijst naar iemands onwetendheid of misvattingen over de aard van de metafysische realiteit
- Het is de grondoorzaak van dukkha ("lijden, onbevrediging") en wordt beweerd als de eerste schakel in de boeddhistische fenomenologie.
Definitie
Een toestand van ‘niet weten’ die voortkomt uit een werkelijk gebrek aan blootstelling, toegang, opleiding of ervaring. Het is de standaardtoestand van alle eindige geesten in een oneindig universum. Het wordt gekenmerkt door de afwezigheid van weerstand tegen nieuwe informatie.
Subtypes van echte onwetendheid
Om het specifieke type gebrek aan kennis te diagnosticeren, wordt het onderverdeeld in drie subtypen:
A. Het onbekende (blinde vlek)
De agent is zich er niet van bewust dat de informatie bestaat en is zich niet bewust van zijn eigen gebrek daaraan.
- Voorbeeld: Een middeleeuwse dokter die niets van bacteriën afweet. Dit is geen karakterfout; het is een beperking van het tijdperk en de context.
B. Het bekende onbekende (onderzoek)
De agent is zich bewust van een specifiek hiaat in zijn kennis ("Ik weet niet hoe deze machine werkt") en onderhoudt een tijdelijke aanduiding voor die informatie.
- Traject: Deze toestand gaat vaak over in actief onderzoek.
C. Structurele onwetendheid
Een gebrek aan kennis veroorzaakt door systemische barrières, toestemmingsstructuren of silo's in plaats van individuele capaciteit.
- Voorbeeld: Een junior ontwikkelaar die de architectuur op hoog niveau niet begrijpt, omdat hij wordt uitgesloten van senior strategievergaderingen.
- Opmerking: Dit verschilt van "Opzettelijke onwetendheid" omdat de agent zou weten of hij/zij toegang kreeg.
Filosofische noot
Onwetendheid is niet per definitie een moreel falen. Het is de Basislijnconditie. Elk leerproces vooronderstelt dit. Om te leren moet je eerst niet weten.
Echte onwetendheid is karmisch neutraal totdat er naar gehandeld wordt. Het wordt alleen ethisch relevant wanneer een persoon een kans krijgt om te leren en deze accepteert of afwijst.
Het krijgt alleen moreel gewicht (karma) op basis van hoe de persoon reageert wanneer de onwetendheid wordt doorboord door de waarheid.
- De lege beker: als de agent de waarheid accepteert, groeit hij (goed karma/juiste actie).
- De gemorste beker: als de agent de waarheid verwerpt om zijn ego of comfort te beschermen, initieert hij de overgang naar pseudo-onwetendheid.
Het onderscheid tussen staat en wet
Onderscheid tussen 'onwetendheid hebben' en 'onwetend zijn'.
Er bestaat een kritisch semantisch en ethisch onderscheid tussen de staat van onwetendheid en de daad van het in stand houden ervan.
- Onwetendheid hebben (status): Een passieve, tijdelijke toestand. De agent beschikt over een gat in de gegevens. Dit is echte onwetendheid.
- Onwetend zijn (handeling/eigenschap): een actieve, aanhoudende inspanning. De agent spant zich in om de leemte in de informatie in stand te houden, ondanks de mogelijkheid om deze op te vullen. Hierdoor verschuift de classificatie van Echt naar Pseudo-Onwetendheid
Vuistregel: Echte onwetendheid wordt opgelost door les te geven. 'Onwetend zijn' verzet zich tegen lesgeven en vereist psychologische of gedragsinterventie.
Er is een significant verschil tussen iemand die 'onwetendheid heeft (over een onderwerp)' en iemand die 'onwetend is' of onwetend is. Iemand die onwetend is, is iemand die actief moeite doet om het niet te weten. Ze hebben de bedoeling onwetend te zijn, door blootstelling, opleiding en ervaring te ontkennen en/of te vermijden met een actieve weerstand tegen leren.
Classificatiediagnose:
Toegang: was relevante informatie redelijkerwijs beschikbaar? Zo ja en herhaaldelijk genegeerd, neigen ze naar manipulatief of bedrieglijk.
Update gedrag: Integreren ze correcties? Zo ja, classificeer goedaardig. Als doelpalen bewegen of op nul worden gezet, classificeer ze dan als vermijdend/bedrieglijk.
Wederkerigheid: Dragen ze bij aan bronnen, samenvattingen of kredieten, of halen ze alleen die van jou eruit? Extractie zonder wederkerigheid is de hartslag van manipulatie.
Invloedshouding: Warm/neutraal nodigt uit tot samenwerking; vijandig is een affect dat vaak uitbuiting verbergt. Behandel ‘zorgen’ die nooit op bewijsmateriaal terechtkomen als een alarmsignaal.
Onwetendheid is de toestand van een gebrek aan kennis, begrip of besef van een feit, concept of domein. Een niet-weten dat voortkomt uit een werkelijk gebrek aan blootstelling, toegang, opleiding of ervaring.
In de epistemologie wordt onwetendheid over het algemeen behandeld als een beschrijvende cognitieve toestand in plaats van als een moreel falen. Omdat alle agenten een eindige cognitieve capaciteit bezitten binnen een feitelijk onbegrensde informatieomgeving, wordt onwetendheid beschouwd als een universeel en onvermijdelijk kenmerk van menselijke en kunstmatige cognitie. Filosofische behandelingen maken gewoonlijk onderscheid tussen onwetendheid en dwaling: onwetendheid houdt de afwezigheid van geloof of informatie in, terwijl dwaling de aanwezigheid van valse overtuigingen inhoudt (zie epistemische verschillen besproken in de klassieke en hedendaagse epistemologie).
In zijn echte vorm komt onwetendheid voort uit beperkte blootstelling, beperkte toegang tot informatie, onvoldoende opleiding of gebrek aan relevante ervaring. Deze vorm wordt soms omschreven als epistemische onschuld, wat de afwezigheid van intentie, strategie of weerstand weerspiegelt die verband houdt met de kenniskloof. Cognitieve wetenschappelijke literatuur beschouwt dergelijke onwetendheid als een basistoestand die leren mogelijk maakt, aangezien het verwerven van kennis de aanvankelijke afwezigheid ervan veronderstelt. De onderwijspsychologie beschouwt onwetendheid op dezelfde manier als een noodzakelijke voorloper van onderzoek en het verwerven van vaardigheden.
Een bepalend kenmerk van echte onwetendheid is het reageren op bewijsmateriaal. Wat onwetendheid onderscheidt van andere epistemische mislukkingen is de afwezigheid van weerstand tegen nieuwe informatie. Wanneer agenten in deze toestand worden geconfronteerd met corrigerende informatie, reageren zij doorgaans met nieuwsgierigheid, neutraliteit of waardering in plaats van defensief. Studies naar het herzien en leren van overtuigingen tonen aan dat individuen die nieuwe informatie niet als een bedreiging voor hun identiteit of status beschouwen, eerder geneigd zijn correcties te integreren en hun mentale modellen bij te werken. Dit patroon staat in contrast met gemotiveerd redeneren, waarbij de informatieverwerking gericht is op het behouden van eerdere verplichtingen.
Onwetendheid in deze primaire/echte zin is niet-strategisch. Het wordt niet door inspanning gekozen, gecultiveerd of in stand gehouden. Het is veeleer indirect en afhankelijk van context, geschiedenis en kansen. Een individu kan onwetend zijn simpelweg omdat de relevante informatie zijn pad nog niet heeft gekruist, omdat deze ontoegankelijk is binnen zijn of haar sociale of institutionele positie, of omdat hij/zij niet over het ervaringskader beschikt dat nodig is om de relevantie ervan te onderkennen. Emotionele reacties op correctie in gevallen van echte onwetendheid zijn meestal affectief neutraal of positief. In deze zin fungeert onwetendheid eerder als een voorwaarde voor leren dan als een obstakel daarvoor.
Er kunnen verschillende subtypes van echte onwetendheid worden onderscheiden op basis van het bewustzijn van de agent van de kenniskloof en de structurele omstandigheden eromheen.
Eén subtype is het onbekende onbekende, ook wel een blinde vlek genoemd. In dit geval is de agent zich niet bewust van zowel de informatie zelf als van zijn gebrek aan kennis ervan. De afwezigheid van kennis is voor hen onzichtbaar. Dergelijke blinde vlekken zijn een normaal gevolg van gesitueerde kennis en historische beperkingen. Een vaak aangehaald voorbeeld is de afwezigheid van kiemtheorie in de premoderne geneeskunde: het onvermogen om rekening te houden met micro-organismen weerspiegelde eerder de epistemische beperkingen van die periode dan een gebrek aan karakter of redenering. Wetenschapsfilosofen benadrukken al lang dat onbekenden vaak pas achteraf kunnen worden geïdentificeerd, nadat conceptuele of technologische vooruitgang ze zichtbaar heeft gemaakt.
Een tweede subtype is de bekende onbekende, oftewel op onderzoek gebaseerde onwetendheid. Hier is de agent zich bewust van een specifiek hiaat in zijn begrip – bijvoorbeeld niet weten hoe een bepaalde machine, systeem of concept werkt – en markeert hij bewust dat hiaat. Deze toestand speelt een centrale rol in onderzoekende leermodellen en wetenschappelijk onderzoek, waarbij het identificeren van wat nog niet wordt begrepen de leidraad vormt voor onderzoek en experimenten. In tegenstelling tot het onbekende is het bekende onbekende al gedeeltelijk geïntegreerd in de cognitieve kaart van de agent als een expliciete afwezigheid, waardoor deze vooral reageert op voorlichting en uitleg.
Het bekende onbekende wordt doorgaans geassocieerd met actief vragen stellen en informatie zoeken.
Een derde subtype is structurele onwetendheid. Deze vorm van onwetendheid wordt niet veroorzaakt door individueel onvermogen of desinteresse, maar door systemische barrières, zoals organisatorische hiërarchieën, informatiesilo's, wettelijke beperkingen of institutionele uitsluiting. Een junior ontwikkelaar heeft bijvoorbeeld mogelijk geen inzicht in de architectuur van een systeem op hoog niveau, niet omdat hij niet wil of kan leren, maar omdat hij wordt uitgesloten van strategische discussies waarin die kennis wordt gedeeld. Uit sociologisch en organisatorisch onderzoek blijkt dat individuen onwetend kunnen blijven over bepaalde feiten of systemen omdat de toegang beperkt is, en niet vanwege onwil of onvermogen. Structurele onwetendheid is daarom analytisch verschillend van opzettelijke onwetendheid, aangezien de afwezigheid van kennis waarschijnlijk zou worden opgelost als de toegangsbarrières zouden worden weggenomen.
Bij deze subtypen kan echte onwetendheid worden geïdentificeerd aan de hand van waarneembare gedragskenmerken. Deze omvatten het stellen van verhelderende vragen, het accepteren van correcties zonder defensiviteit of vijandigheid, en het demonstreren van geloofsherziening wanneer dit wordt gepresenteerd met geloofwaardig bewijs. Uit cognitief wetenschappelijk onderzoek naar leertrajecten blijkt dat productief onderzoek de neiging heeft specifiek en cumulatief te zijn en een soort onderzoekslus vormt waarin elk antwoord de volgende vraag informeert, waardoor een progressieve ‘kennisladder’ ontstaat in plaats van een herhaaldelijk resetten. Agenten die blijk geven van echte onwetendheid veranderen doorgaans de bewijsnormen niet en herdefiniëren termen niet als reactie op correctie, en ze erkennen gemakkelijk onzekerheid zonder deze te framen als een bedreiging voor de persoonlijke competentie, identiteit of sociale status. Als ze bronnen krijgen, tonen ze te goeder trouw hun inspanningen om er mee aan de slag te gaan of ze te evalueren.
Vanuit ethisch perspectief wordt onwetendheid algemeen als moreel neutraal beschouwd totdat er iets aan gedaan wordt. Ieder begripsproces veronderstelt een begintoestand van niet-weten. In deugdenethiek, vooral in de aristotelische traditie, hangt morele evaluatie niet louter af van de afwezigheid van kennis, maar van de manier waarop iemand reageert op mogelijkheden om te leren en te corrigeren (zie Aristoteles). Op dezelfde manier benadrukken discussies in de moraalfilosofie dat verantwoordelijkheid doorgaans alleen ontstaat wanneer een actor redelijkerwijs anders had kunnen weten. In dit raamwerk krijgt onwetendheid ethische betekenis wanneer een agent relevante informatie tegenkomt en deze integreert of zich ertegen verzet. Acceptatie van nieuwe informatie leidt tot groei en constructieve actie; de afwijzing ervan ten dienste van het ego, het comfort of de identiteit markeert het begin van een overgang naar andere vormen van pseudo-onwetendheid.
Daarom ligt er een onderscheid ten grondslag aan een belangrijke semantische scheiding tussen onwetendheid hebben en onwetend zijn. Onwetendheid verwijst naar een passieve, tijdelijke toestand waarin een agent bepaalde informatie mist. Onwetendheid beschrijft daarentegen een actief patroon van het in stand houden van dat gebrek ondanks de beschikbaarheid van corrigerende kennis. Filosofische discussies over opzettelijke onwetendheid en gemotiveerde cognitie identificeren deze transitie als het punt waarop onwetendheid niet langer louter epistemisch is, maar ethisch saillant wordt. Zodra een agent leren begint te ontkennen, vermijden of zich ertegen verzetten om status, identiteit of emotioneel comfort te beschermen, verschuift de classificatie van echte onwetendheid naar pseudo-onwetendheid, die een vermijdend, bedrieglijk of kwaadaardig karakter kan hebben.
Als algemene heuristiek kan echte onwetendheid doorgaans worden opgelost door middel van uitleg, educatie, dialoog of ervaring. Aanhoudend verzet tegen dergelijke processen is niet kenmerkend voor onwetendheid als een neutrale epistemische toestand. ‘Onwetend zijn’ verzet zich tegen onderwijs en vereist in plaats daarvan psychologische, gedragsmatige of structurele interventie. Het verschil tussen de twee is niet subtiel: de ene lost op onder uitleg, terwijl de andere verhardt als reactie daarop.
Pseudo-onwetendheid
Pseudo-onwetendheid verwijst naar een klasse van gedragingen en epistemische houdingen die worden gepresenteerd als onwetendheid, maar die niet voldoen aan de bepalende criteria van echte onwetendheid. In plaats van voort te komen uit een simpelweg gebrek aan blootstelling of toegang, impliceert pseudo-onwetendheid de actieve ontkenning van kennis, verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid, terwijl de uiterlijke schijn van onwetendheid wordt gehandhaafd. De term omvat patronen waarin onwetendheid wordt gesimuleerd, overdreven of strategisch in stand gehouden om de bedoelingen te verdoezelen, controle af te wenden, de verantwoordelijkheid te verschuiven of de gevolgen van geïnformeerd handelen te vermijden.
Veel veelgebruikte termen die het woord onwetendheid bevatten, vallen in deze categorie, ondanks dat ze afwijken van onwetendheid als een neutrale epistemische toestand. In deze gevallen functioneert het label retorisch in plaats van beschrijvend. Pseudo-onwetendheid is daarom niet een op zichzelf staand fenomeen, maar een familie van verwante strategieën die misbruik maken van de morele neutraliteit die traditioneel met onwetendheid wordt geassocieerd. Door zichzelf als ongeïnformeerd voor te stellen, kunnen agenten die zich bezighouden met pseudo-onwetendheid de aansprakelijkheid ontlopen terwijl ze profiteren van het vermoeden van onschuld dat echte onwetendheid doorgaans met zich meebrengt.
Een belangrijk kenmerk van pseudo-onwetendheid is dat het fundamenteel performatief is. In tegenstelling tot echte onwetendheid, die verdwijnt onder uitleg, blijft pseudo-onwetendheid bestaan of past zich aan als reactie op corrigerende informatie. De agent kan feiten oppervlakkig erkennen, maar er niet in slaagt ze te integreren, het gesprek omleiden naar oppervlakkige kwesties, termen halverwege de discussie opnieuw definiëren (de doelpalen verplaatsen), of herhaaldelijk terugkeren naar reeds gestelde vragen. Op deze manier bootst pseudo-onwetendheid vaak performatief onderzoek na, zonder zich bezig te houden met leren. De uiterlijke vorm van vragen stellen blijft behouden, terwijl de epistemische functie ervan wordt verwijderd.
Vanuit een breder epistemisch perspectief zijn de meeste gevallen die in het publieke discours gewoonlijk worden omschreven als ‘onwetendheid’ helemaal geen gevallen van echte onwetendheid. Verkeerd geïnformeerd zijn, blootgesteld zijn aan vervormde informatie of getraind zijn in een bevooroordeelde informatieomgeving komt veel vaker voor dan het niet weten in de strikte zin van het woord. Gefabriceerde onwetendheid, propaganda, selectieve ontmaskering en algoritmisch versterkte desinformatie leiden allemaal tot agenten die overtuigingen koesteren, vaak vol vertrouwen, in plaats van agenten die geen overtuigingen hebben. Deze omstandigheden veroorzaken fouten en vervormingen, en niet de eigenlijke onwetendheid.
Echte onwetendheid is daarentegen relatief zeldzaam in moderne informatieomgevingen, juist omdat individuen voortdurend worden blootgesteld aan gedeeltelijke, lage kwaliteit of misleidende informatie. De afwezigheid van kennis is grotendeels vervangen door de aanwezigheid van onsamenhangende of ideologisch gefilterde kennis. Pseudo-onwetendheid gedijt in deze omgeving omdat het agenten in staat stelt de verantwoordelijkheid te ontkennen voor wat ze weten, zouden moeten weten of redelijkerwijs zouden kunnen verifiëren, terwijl ze blijven handelen alsof ze epistemisch neutraal zijn.
Pseudo-onwetendheid is vooral aantrekkelijk voor pseudo-intellectuelen – individuen die de externe kenmerken van intellectuele betrokkenheid (performatief) overnemen zonder de overeenkomstige discipline van kennisherziening, bronevaluatie of conceptuele nauwkeurigheid. Voor dergelijke agenten heeft pseudo-onwetendheid een dubbele functie. Intern maakt het zelfbedrog mogelijk met betrekking tot iemands eigen competentie, begrip of toewijding. Extern biedt het een sociaal aanvaardbare verklaring voor fouten, inconsistenties of redeneerfouten. In plaats van een misverstand toe te geven of een standpunt te herzien, kan de agent zich selectief en opportunistisch terugtrekken in claims van verwarring, complexiteit of onzekerheid.
Dit patroon staat in contrast met echte intellectuele betrokkenheid. Een praktisch diagnostisch onderscheid tussen intellectuelen en pseudo-intellectuelen ligt in de frequentie en functie van beweringen over onwetendheid. Intellectuelen beroepen zich spaarzaam en specifiek op onwetendheid, meestal als opmaat naar onderzoek of verduidelijking. Pseudo-onwetendheid wordt daarentegen gewoonlijk en defensief toegepast. Empirisch gezien vormen beweringen over authentieke onwetendheid in een aanhoudend analytisch discours een kleine minderheid van de epistemische houding van een intellectueel, terwijl pseudo-onwetendheid de interacties van pseudo-intellectuelen kan domineren.
Cruciaal is dat pseudo-onwetendheid niet wordt gedefinieerd door wat een agent wel of niet weet, maar door hoe deze zich verhouden tot kennis, correctie en verantwoordelijkheid. Het vertegenwoordigt een verschuiving van onwetendheid als staat naar onwetendheid als tactiek (schild). Deze verschuiving markeert het punt waarop onwetendheid niet langer epistemisch neutraal is, maar ethisch en sociaal consequent wordt, wat de weg vrijmaakt voor specifiekere subtypen.
Soorten pseudo-onwetendheid:
Er zijn veel termen die het woord onwetendheid bevatten en die niet voldoen aan definitie van onwetendheid, waardoor ze een soort pseudo-onwetendheid zijn. Dat wil zeggen gedrag of overtuigingen die als onwetendheid worden gepresenteerd om hun bedoelingen en bijbedoelingen te verbergen, verantwoordelijkheid te vermijden en verantwoordelijkheid af te wijzen.
Het is interessant om op te merken dat de meeste vormen van onwetendheid niet authentiek zijn. Echte onwetendheid is opmerkelijk ongebruikelijk.
Geveinsde onwetendheid (goedaardig)
Bijbehorende terminologie:
Onwetendheid veinzen
Voorgewende onwetendheid
Schattigheid
Schattig zijn
Geveinsde onwetendheid verwijst naar een opzettelijke en tijdelijke houding van ‘niet weten’, aangenomen omdat de agent gelooft dat dit een legitiem voordeel oplevert voor het leren, de veiligheid, de sociale harmonie, de humor of de relationele integriteit. In tegenstelling tot echte onwetendheid beschikt de agent over relevante kennis, en in tegenstelling tot andere vormen van pseudo-onwetendheid wordt deze houding niet gebruikt om te misleiden voor persoonlijk gewin, om verantwoordelijkheid te ontlopen of om asymmetrisch voordeel te behalen. In plaats daarvan is de schijnbeweging instrumenteel, proportioneel en gericht op pro-sociale resultaten.
In deze vorm functioneert geveinsde onwetendheid eerder als een communicatief en pedagogisch instrument dan als een epistemisch falen. De agent neemt een houding van onzekerheid of gebrek aan kennis aan om anderen te helpen hun redenering te verwoorden, schaamte te verminderen, conflicten, humor, lichtzinnigheid (sarcasme) te de-escaleren, privacy of operationele veiligheid te behouden, verwachtingen ethisch te beheren of sociale banden op te bouwen. Cruciaal is dat de houding omkeerbaar en begrensd is. Er is een geloofwaardige onthullingshorizon: de agent kan de schijnbeweging later erkennen zonder schade, schaamte of reputatieschade te veroorzaken, en doet dit in veel gevallen expliciet (“Ik vroeg dat om veronderstellingen naar boven te halen”).
Op gedragsvlak wordt goedaardige geveinsde onwetendheid gekenmerkt door warme of neutrale gevoelens en eerder door uitnodigingen dan door valstrikken. De agent moedigt uitleg aan (zinnen als ‘leid me er doorheen’, ‘help me het te begrijpen’ of ‘Misschien mis ik iets’) zonder een vijandige dynamiek te creëren. Zodra het doel van de schijnbeweging is bereikt, wordt de houding losgelaten. Er is geen sprake van het bijhouden van de score, geen latere onthulling die wordt gebruikt om dominantie te laten gelden, en geen poging om de interactie met terugwerkende kracht om te zetten in statuswinst. De voornaamste begunstigde van deze manoeuvre is de leerling, de relatie of de collectieve veiligheid, en niet het ego van de persoon die onwetendheid veinst.
Een veel voorkomende vorm van goedaardige geveinsde onwetendheid is Socratisch veinzen, soms omschreven als eironisch onderzoek. In dit geval houdt de leraar hun kennis achter om de articulatie te stimuleren, verborgen aannames aan de oppervlakte te brengen of de interne samenhang van de redenering van iemand anders testen. Het ethische centrum van deze praktijk is pedagogisch: het begrip van de leerling is het doel, niet blootstelling of schaamte. De schijnbeweging is licht, gemakkelijk omkeerbaar en wordt vaak achteraf erkend. Een senior ingenieur kan bijvoorbeeld een junior collega vragen om uit te leggen waarom een bepaalde architecturale keuze is gemaakt, niet omdat de senior geen begrip heeft, maar om de junior hardop over afwegingen te laten redeneren en zijn eigen begrip van het systeem te versterken.
Nauw verwant is pedagogische steigers, waarbij geveinsde onwetendheid wordt gebruikt om de cognitieve belasting op de leerling te houden en om nieuwsgierigheid in plaats van autoriteit te modelleren. In onderwijs- of studiecontexten kan een docent vragen stellen waarop hij de antwoorden al kent, en deze als echte onzekerheid omlijsten om deelname en onderzoek uit te nodigen. Ethisch gebruik van deze techniek is tijdsgebonden en wordt doorgaans gevolgd door een debriefing waarin de instructeur het concept verduidelijkt en, indien van toepassing, de pedagogische bedoeling achter de vragen onthult.
Geveinsde onwetendheid komt ook voor in sarcasme of de 'humoristische, uitgestreken' rol, waarbij letterlijke of naïeve reacties worden gebruikt voor een komisch effect, lichtzinnigheid of sociale binding. In zulke gevallen staat er weinig op het spel, het publiek zit mee in de grap of kan er snel bij betrokken worden. De schijnbeweging bestaat even, laat de spanning los en lost dan zonder resten op.
Een andere goedaardige toepassing is grensbeschermende geheimhouding. Hier stelt geveinsde onwetendheid een agent in staat te veel te delen of gedwongen openbaarmaking te vermijden zonder zijn toevlucht te nemen tot leugens. Uitspraken als ‘daar ben ik niet de juiste persoon voor’ of het opzettelijk niet op de hoogte blijven van gevoelige details dienen om de privacy, de juridische veiligheid of de operationele veiligheid te beschermen. De ethische beperking in deze gevallen is evenredigheid: de schijnbeweging moet beperkt blijven tot wat nodig is om schade te voorkomen en mag niet de schuld op een verkeerde manier richten, valse vermoedens wekken of anderen benadelen.
Geveinsde onwetendheid kan ook worden gebruikt voor de-escalatie van conflicten en het redden van gezichten. Bij gespannen interacties kan een agent tijdelijk ‘dom spelen’ om de toon te herstellen, de defensiviteit te verminderen of een andere partij de ruimte te geven zich terug te trekken zonder vernedering. Als u bijvoorbeeld een meningsverschil herformuleert als een misverstand (‘misschien praten we langs elkaar heen’) kan de escalatie worden onderbroken en kan de samenwerking worden hervat. Bij ethisch gebruik wordt deze aanpak gevolgd door constructieve volgende stappen in plaats van een stil oordeel.
In therapeutische of coachingcontexten kan geveinsde onwetendheid de vorm aannemen van spiegelen of begeleide zelfuitleg. Een coach of counselor kan een cliënt vragen om zijn eigen ervaring gedetailleerd uit te leggen, zelfs als de behandelaar het beschreven patroon al herkent. Het doel is om de keuzevrijheid en het inzicht te versterken, eerder dan om expertise aan te tonen. Ethisch gebruik in deze omgevingen is afhankelijk van toestemming, duidelijkheid van de rol en transparantie na de actie.
Ten slotte kan goedaardige geveinsde onwetendheid overkomen als diplomatieke ambiguïteit. In onderhandelingen of gevoelige organisatorische situaties kunnen agenten aangeven dat ze “niet op de hoogte zijn” of “niet in staat zijn commentaar te geven” om voortijdige escalatie te voorkomen terwijl de discussies nog gaande zijn. Bij ethisch gebruik vermijdt deze houding feitelijke onwaarheden, blijft tijdelijk en beweegt zich richting duidelijkheid zodra de omstandigheden dit toelaten.
Bij alle goedaardige vormen fungeren verschillende ethische criteria als vangrails. De primaire begunstigde moet de leerling, de relatie of de gedeelde veiligheid zijn, en niet het ego of voordeel van de agent. De houding moet omkeerbaar zijn zonder de andere partij in de val te lokken of te schande te maken. Er moet sprake zijn van een plausibele openbaarmakingshorizon, zelfs als er nooit openbaarmaking plaatsvindt. De interventie moet proportioneel en licht van aard zijn en mag nooit worden gebruikt om punten te scoren. Machtsasymmetrie is van belang: wanneer de agent meer autoriteit of sociale macht heeft, is extra voorzichtigheid geboden om ervoor te zorgen dat de andere persoon geen reputatie- of emotioneel risico loopt.
Diagnostisch gezien is goedaardige geveinsde onwetendheid herkenbaar aan de toon en het traject ervan. Het affect is warm of neutraal, de vragen nodigen uit tot articulatie in plaats van tot struikelen, en de houding houdt op zodra het doel ervan is bereikt. Er is geen sprake van vernedering achteraf, geen openbaring die als hefboom wordt gebruikt, en geen patroon van herhaaldelijk veinzen om verantwoordelijkheid te ontlopen. De schijnbeweging verheldert eerder dan verdoezelt, en als het achteraf wordt onderzocht, kan het worden erkend zonder ethisch ongemak.
Definitie
Publieke houding van niet weten dat de agent gelooft levert voordeel op (sociaal, juridisch, retorisch).
Een opzettelijk 'niet weten' gebruikt voor pro-sociale doeleinden: om anderen te helpen redeneren (socratische schijnbeweging), schaamte te verminderen, grenzen/OPSEC te beschermen, cognitieve belasting op de leerling te houden, humor in stand te houden, conflicten te de-escaleren of liegen te vermijden als stilte veiliger is. De pose is omkeerbaar, proportioneel en heeft een geloofwaardige openbaarmakingshorizon (“Ik vroeg dat om aannames naar boven te halen”).
Belangrijkste signalen
- Warm/neutraal effect; uitnodigingen om te articuleren (“leid me er doorheen”).
- Stopt zodra het doel is bereikt; achteraf geen score bijhouden.
- Je zou de schijnbeweging later gerust kunnen erkennen.
- De houding is uiteindelijk transparant of veilig omkeerbaar, en de voornaamste begunstigde is de andere persoon of de relatie – niet het ego van de poser.
- Het voordeel komt ten goede aan de leerling/relatie/veiligheid, en niet alleen aan het ego van de poser.
- Vermijd conflicten zonder misleiding: “Misschien praten we langs elkaar heen – kun je het anders formuleren?”
- Verlaag de druk/verwachtingen op een ethische manier: bagatelliseer de competentie om verwachtingen te managen (alleen als dit het werk niet ontlast).
- Voorzichtigheid bij onderhandelingen: ondersignaal totdat de voorwaarden duidelijk zijn (zonder de feiten verkeerd voor te stellen).
- Boundary/OPSEC: ‘Daar ben ik niet de juiste persoon voor’, of niet geïnformeerd blijven om gedwongen openbaarmaking te voorkomen.
- Pedagogiek/coaching: “Leid mij door uw redenering”, terwijl u het antwoord al weet.
Goedaardige vormen van geveinsde onwetendheid
Socratisch veinzen (eironisch onderzoek)
Doel: articulatie stimuleren, aannames aan de oppervlakte brengen, coherentie testen.
Ethische vangrails: het voordeel van de leerling is primair; de 'schijnbeweging' is licht, omkeerbaar en wordt vaak later erkend.
Voorbeeld: jij met een junior ingenieur: 'Leg me uit waarom je polls verkoos boven webhooks.' Je kent de afwegingen; je nodigt ze uit om het uit te redeneren.
Pedagogische steigers
Doel: de cognitieve belasting op de leerling houden; nieuwsgierigheid modelleren.
Ethische vangrails: tijdslimiet, ondervraging; je onthult de ‘pose’ zodra de leerling het concept ter sprake brengt.
Voorbeeld: in een studiekring vraag je: ‘Misschien mis ik iets – hoe verschilt ‘voorkeur voor bevestiging’ hier van ‘gemotiveerd redeneren’?
Humoristische uitgestreken (“heteroman”-rol)
Doel: komische timing, sociale binding, lichtzinnigheid.
Ethische vangrails: lage inzet; het publiek is mee bezig of kan snel aanwijzingen krijgen; geen reputatieschade.
Voorbeeld: een vriend doet een absurde bewering; je reageert volkomen letterlijk op de beat, grijnst dan en laat de grap los.
Grensbeschermende niet-openbaarmaking
Doel: vermijd te veel delen zonder te liegen; behoud van privacy of OPSEC.
Ethische vangrails: evenredig aan het risico; vermijdt valse beschuldigingen of misleiding die anderen zouden schaden.
Voorbeeld: als u op gevoelige leveranciersgegevens drukt, zegt u: 'Daar ben ik niet de juiste persoon voor', en blijft u met opzet 'niet geïnformeerd'.
De-escalatie van conflicten / gezichtsbesparing
Doel: iemand zich zonder schaamte laten terugtrekken, zodat de samenwerking kan worden voortgezet.
Ethische vangrails: gewend om te sparen, niet om in het nauw te drijven; gevolgd door constructieve volgende stappen.
Voorbeeld: tijdens een vergadering zeg je vriendelijk: 'Misschien praten we langs elkaar heen. Kun je dat vanuit het perspectief van de operatie herformuleren?' Je “speelt dom” om de toon te resetten.
Therapeutisch/coachend spiegelen
Doel: uitnodigen tot zelfuitleg; Versterk de keuzevrijheid.
Ethische vangrails: toestemming, duidelijke rol en duidelijkheid na de actie.
Voorbeeld: “Help me begrijpen hoe ‘overweldigd’ voor jou voelt als je het dashboard opent.”
Diplomatieke onduidelijkheid
Doel: de vrede bewaren terwijl over opties wordt onderhandeld.
Ethische vangrails: vermijdt feitelijke onwaarheden; tijdelijk; gaat richting duidelijkheid.
Voorbeeld: 'Ik ben niet op de hoogte om commentaar te geven op die tijdlijn', wat functioneel onwetendheid veinst om voortijdige escalatie te voorkomen.
Ethische criteria die geveinsde onwetendheid schoonhouden
– Begunstigde: helpt in de eerste plaats de leerling, de relatie of de veiligheid – en niet jij ten koste van hen.
– Omkeerbaarheid: je kunt de houding laten vallen zonder hem of haar in de val te lokken of te schande te maken.
– Openbaarmakingshorizon: je kunt de techniek op een geschikt moment erkennen.
– Proportionaliteit: lichte aanraking; heb nooit punten gewonnen.
– Machtssymmetrie: extra voorzichtigheid als je meer kracht hebt; Zorg ervoor dat de ander geen reputatierisico draagt.
Ethische vangrails
Test van de begunstigde (helpt het hen/ons, en niet alleen ik?), omkeerbaarheid, openbaarmakingshorizon, proportionaliteit, voorzichtigheid bij machtsasymmetrie. Laat de pose vallen als deze het risico loopt de ander in de val te lokken of te schande te maken.
Diagnostiek (hoe het eruit ziet)
Warm/neutraal effect, nodigt uit tot articulatie, stopt zodra het doel is gediend, daarna wordt niet meer bijgehouden.
De schijnbeweging nodigt de ander uit om te articuleren, niet om te struikelen. Je kunt het laten vallen zonder iemand in de val te lokken of te vernederen. Er is een plausibele onthullingshorizon (“Ik heb dat trouwens gevraagd om ons te helpen aannames naar boven te halen”). Het effect is warm of neutraal; achteraf wordt er niet meer bijgehouden.
Vermijdende onwetendheid
Bijbehorende terminologie:
Onoprecht
Ontwijkende onwetendheid in zijn vermijdende vorm verwijst naar een gekozen houding van niet-weten die wordt aangenomen om verantwoordelijkheid, inspanning of aansprakelijkheid te ontlopen, zonder zich in te laten met aanstootgevende misleiding. In deze gevallen is relevante informatie beschikbaar, toegankelijk of al eerder verstrekt, maar de agent wil deze liever niet integreren. De onwetendheid is dus niet indirect, maar een keuzevak. In tegenstelling tot manipulatieve of kwaadaardige vormen gaat ontwijkende onwetendheid doorgaans niet gepaard met opzettelijk liegen of een strategische verkeerde voorstelling van zaken; in plaats daarvan berust het op weglating, terugtrekking en plausibele ontkenning.
Het bepalende kenmerk van vermijdende onwetendheid is eerder terugtrekking dan aanval. De agent construeert niet actief valse verhalen, maar weigert in plaats daarvan verplichtingen, normen of eerdere toezeggingen te erkennen. Veel voorkomende uitdrukkingen zijn onder meer selectieve vergeetachtigheid, claims van verwarring over gevestigde verwachtingen, of beweringen dat een onderwerp te stressvol, onduidelijk of emotioneel controversieel is om zich ermee bezig te houden. De houding fungeert als een schild tegen consequenties: door de schijn van niet-weten te behouden, vermijdt de agent dat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn daden (of het gebrek aan actie).
Deze vorm van onwetendheid wordt vaak gebruikt om inspanningen te ontlasten. Taken, deadlines of sociale verplichtingen worden omzeild door een gebrek aan bewustzijn te claimen in plaats van door openlijk verantwoordelijkheid te weigeren. Uitspraken als ‘Ik kan me niet herinneren dat je mij dat hebt gevraagd’, ‘Ik wist niet dat dit werd verwacht’ of ‘Niemand heeft me verteld dat dit mijn taak was’ illustreren dit patroon. Hoewel elk geval op zichzelf misschien triviaal lijkt, leidt herhaald gebruik tot een gedragsstrategie waarin onwetendheid een substituut wordt voor verantwoordelijkheid.
Vermijdende onwetendheid is vaak ook conflictvermijdend. In plaats van zich bezig te houden met reparatie, verduidelijking of onenigheid, sluit de agent de dialoog af door te ontkennen dat hij zich bewust is van de kwestie zelf. Zinnen als ‘Ik weet niet waar je het over hebt’ of ‘Het gaat goed, er valt niets te bespreken’ zorgen ervoor dat de interactie wordt beëindigd in plaats van opgelost. Dit onderscheidt vermijdende onwetendheid van echt misverstand: het doel is niet duidelijkheid, maar stopzetting.
In sociale en professionele contexten verschijnt deze houding vaak als een afleiding van de kritiek. De agent gedraagt zich alsof al lang bestaande normen, feedback of eerder geformuleerde normen onbekend zijn, zelfs als er herhaaldelijk naar wordt verwezen. Door geen idee te hebben in plaats van weerstand te bieden, vermijdt de agent directe confrontatie, terwijl de corrigerende input nog steeds teniet wordt gedaan. In de loop van de tijd zorgt dit voor frustratie-asymmetrie: anderen besteden energie aan uitleggen of herinneren, terwijl de vermijdende agent geen energie besteedt aan integreren of handelen.
Een verwant patroon is gaming met verwachtingsmanagement, waarbij een individu zijn kennis of competentie bagatelliseert om de normen die op hem worden toegepast te verlagen. Hoewel oppervlakkig gezien vergelijkbaar met goed verwachtingsmanagement, is de onderscheidende factor hier asymmetrie: de houding wordt gebruikt om de persoonlijke verantwoordelijkheid te verminderen en tegelijkertijd extra lasten op anderen af te schuiven. Dit manifesteert zich vaak in terugkerende verzoeken om hulp zonder wederkerige inspanning, zoals het herhaaldelijk stellen van vragen zonder de verstrekte bronnen, samenvattingen of voorafgaande uitleg te raadplegen.
In interpersoonlijke relaties komt vermijdende onwetendheid vaak tot uiting in het ontkennen van verplichtingen. Beloften, plannen of overeenkomsten worden later beantwoord met claims van niet-herinnering – ‘dat hebben we nooit gezegd’ of ‘ik kan me niet herinneren dat ik daarmee akkoord ging’ – ondanks duidelijke voorafgaande communicatie. Hierdoor kan de agent ontsnappen aan de gevolgen van toewijding zonder openlijk afstand te doen. Dit patroon is vooral ondermijnend in op vertrouwen gebaseerde relaties, omdat het de gedeelde realiteit passief-agressief uitholt in plaats van de termen rechtstreeks te betwisten.
Comfortvermijdende varianten framen onwetendheid als zelfzorg of emotionele bescherming: ‘Vertel het me niet, het geeft me stress’ of ‘Ik wil het niet weten.’ Hoewel emotionele grenzen in sommige contexten legitiem zijn, wordt misleidende vermijding gekenmerkt door selectiviteit en herhaling. Deze houding wordt vooral toegepast wanneer informatie actie, verandering of verantwoordelijkheid vereist, en niet wanneer de agent werkelijk overweldigd is.
Identiteitsbeschermende vermijding valt ook onder deze categorie. Hier wordt informatie omzeild omdat deze de groepsrelatie, het zelfbeeld of de sociale status in gevaar brengt. De agent argumenteert niet noodzakelijkerwijs tegen de feiten; ze weigeren eenvoudigweg om met hen in zee te gaan. Dit onderscheidt vermijdende onwetendheid van actief gemotiveerd redeneren: het verdedigingsmechanisme is eerder terugtrekking dan tegenargumenten.
Wat de ontwikkeling betreft, is een milde vorm van dit gedrag gebruikelijk en ethisch lichter bij kinderen. Jonge kinderen kunnen doen alsof ze het niet weten om te voorkomen dat ze ongelijk krijgen, gestraft worden of in verlegenheid worden gebracht. Bij volwassenen weerspiegelt het volharden van deze strategie echter eerder een aangeleerd vermijdingspatroon dan een overgangsfase van ontwikkeling. In wezen een ontwikkelingsachterstand (vertraagde ontwikkeling) waarbij de volwassenheid niet wordt bereikt. Doorgaans beschouwd als een “mentale retardatie (vertraagde ontwikkeling) van welvaart”
Vermijdende onwetendheid kan worden geïdentificeerd aan de hand van consistente diagnostische markers. Bewijs is beschikbaar en vaak herhaaldelijk gepresenteerd, maar toch systematisch omzeild, genegeerd of ontkend. Wanneer er antwoorden worden gegeven, draait de agent om, buigt af of herkadert in plaats van het begrip bij te werken. Verzoeken om tijd van anderen komen steeds terug zonder dat er moeite wordt gedaan om materiaal voor te bereiden, te beoordelen of eerdere discussies samen te vatten. Correctie wordt niet beantwoord met argumenten, maar met geveinsde verwarring, ontslag, stilte of een verandering van onderwerp. Bevestigingsbias werkt voornamelijk door niet-betrokkenheid in plaats van door weerlegging.
Hoewel deze vorm van onwetendheid passief of onschadelijk kan lijken, heeft het ethisch gezien consequenties. Door de kosten van het niet-weten te externaliseren – naar collega’s, partners of instellingen – creëert het een asymmetrische last en ondermijnt het de coöperatieve normen. De schade schuilt niet in bedrog door onwaarheid, maar in bedrog door nalatigheid: de verantwoordelijkheid lost op in de gaten die de agent weigert aan te pakken of te dichten.
Definitie
Gekozen niet-weten, gebruikt om verantwoordelijkheid te vermijden, inspanningen te ontlasten of verantwoording af te leggen. Er is informatie beschikbaar; de persoon geeft er de voorkeur aan om het niet te integreren. ‘vermijd aansprakelijkheid’, ‘negeer verplichtingen’
Gemeenschappelijke signalen
- Verantwoording vermijdend: "Deadline? Ik kan me niet herinneren dat je mij hebt gevraagd..."
- Kinderen ‘doen alsof ze het niet weten’ om te voorkomen dat ze ongelijk hebben → vermijdingssubtype (ontwikkelingsnormaal, ethisch lichter).
- Conflictvermijdend: “Ik weet niet waar je het over hebt” om reparatie af te sluiten.
- Kritiek-afbuigend (heeft geen idee van al lang bestaande normen)
- Gamen met verwachtingsmanagement: spelen op kleinere en lagere niveaus.
- Relatieverplichting ontwijken: "Reservering? Waar heb je het over?" na belofte.
- Ontkenning van toezeggingen: "Voorbehoud? Dat hebben we nooit gezegd", om beloften te ontkennen en consequenties te vermijden.
- Comfortvermijdend: “Vertel het me niet, het geeft me stress.”
- Identiteitsbeschermend: Feiten bedreigen de status van de groep.
- Verantwoording vermijdend (“Deadline? Ik kan me niet herinneren dat je mij dat hebt gevraagd…”)
- Conflictvermijdend (reparatie afsluiten: “Het gaat goed, niets te bespreken”)
- Kritiek-afbuigend (heeft geen idee van al lang bestaande normen)
- Overmoed/DK-vooroordeel (schulden verschuiven, excuses maken) ← Dunning-Kruger-passage
Diagnostische markeringen: bewijsmateriaal is beschikbaar en wordt herhaaldelijk omzeild. Nadat ze antwoorden hebben ontvangen, draaien, buigen of veranderen ze het frame in plaats van bij te werken. Verzoeken om uw tijd komen terug zonder wederkerige inspanning (geen bronnen, geen samenvattingen, geen poging).
Weerstand tegen correctie waarbij afwijzing en/of ontkenning van bewijsmateriaal het belangrijkste mechanisme van vooringenomenheid voor bevestiging is.
Opzettelijke onwetendheid
Bijbehorende terminologie:
Opzettelijke blindheid
Opzettelijke onwetendheid
Gekunstelde onwetendheid
Bewuste vermijding
Opzettelijke onwetendheid
Mislukken van de zorgplicht
Incompetentie
Opzettelijke onwetendheid verwijst naar een toestand waarin een agent opzettelijk vermijdt het verwerven, bevestigen of integreren van informatie waarvan hij duidelijk verplicht is deze te kennen. Of misschien wel hebben en ontkennen. In tegenstelling tot echte onwetendheid is de afwezigheid van kennis hier niet indirect. In tegenstelling tot ontwijkende, bedrieglijke onwetendheid, gaat het niet in de eerste plaats om persoonlijk comfort of terugtrekking. In plaats daarvan ontstaat opzettelijke onwetendheid in contexten waarin een rol, autoriteit of positie de verwachting in zich draagt van basiscompetentie en due diligence. Deze onwetendheid wordt daarom niet louter gekozen, maar strategisch in stand gehouden om de plausibele ontkenning te behouden, de aansprakelijkheid af te schermen of de plichten te vermijden die gepaard gaan met geïnformeerd handelen.
Deze vorm van onwetendheid is het meest opvallend in professionele, institutionele en fiduciaire functies. Managers die vertrouwen op cijfers die ze nooit hebben leren interpreteren, journalisten die basisfeiten verkeerd citeren zonder verificatie, of systeembeheerders die kritieke beveiligingsadviezen (software-updates) niet lezen/negeren, zijn niet simpelweg slecht geïnformeerd. Hun standpunten impliceren verantwoordelijkheid voor het kennen van bepaalde soorten informatie. In dergelijke gevallen fungeert onwetendheid eerder als een verzuim dan als een neutrale staat. Het ethische falen ligt niet alleen in wat niet bekend is, maar ook in de weigering om het minimale epistemische werk te verrichten dat voor deze rol vereist is.
In de juridische doctrine beschrijft opzettelijke onwetendheid – ook wel opzettelijke blindheid, opzettelijke onwetendheid of bewuste vermijding genoemd – situaties waarin een persoon zichzelf opzettelijk onbewust houdt van feiten die burgerlijke of strafrechtelijke aansprakelijkheid zouden opleveren. Rechtbanken hebben claims van onwetendheid consequent afgewezen wanneer de verdachte opzettelijk heeft vermeden te bevestigen wat hij sterk vermoedde. In het recht wordt opzettelijke onwetendheid niet als excuus behandeld, maar als vervanging voor kennis bij het beoordelen van de schuld.
Een canoniek voorbeeld komt voor in Verenigde Staten v. Jewell, waar de rechtbank oordeelde dat het opzettelijk vermijden van kennis zou kunnen voldoen aan de wettelijke vereiste voor kennis (mens rea) in een strafzaak. De uitspraak stelde vast dat het opzettelijk onwetend blijven van belastende feiten een individu niet vrijstelt van verantwoordelijkheid; in plaats daarvan kan het actief bijdragen aan het vaststellen van aansprakelijkheid. Deze redenering ligt ten grondslag aan wat soms de ‘struisvogelinstructie’ wordt genoemd, een gerechtelijk antwoord op beklaagden die beweren onwetend te zijn terwijl ze stappen hebben ondernomen om te voorkomen dat ze de waarheid leren kennen.
De metafoor van de struisvogel – ontleend aan de mythe dat struisvogels hun kop in het zand steken als ze worden bedreigd – geeft de psychologische houding weer die daarmee gepaard gaat. De agent vermoedt dat kennis belastend, kostbaar of verplichtend zou zijn, en wendt zich daarom af van informatie die de situatie zou kunnen verhelderen. De overtuiging dat onwetendheid verantwoordelijkheid uitsluit, is zowel juridisch als ethisch onjuist. In de praktijk wordt het vermijden zelf een bewijs van opzet.
Naast het formele recht wordt het concept van opzettelijke onwetendheid op grote schaal toegepast in de ethische analyse. Het beschrijft situaties waarin individuen of instellingen bewust ‘de andere kant op kijken’ wanneer ze worden geconfronteerd met problemen die inspanning, hervormingen of verantwoordelijkheid vereisen om aan te pakken. De motivatie kan emotioneel ongemak, uitgaven aan middelen, reputatierisico of angst voor gevolgen zijn. Wat opzettelijke onwetendheid onderscheidt van eenvoudige nalatigheid is de aanwezigheid van het bewustzijn dat er iets is dat je zou moeten weten, gekoppeld aan een actieve beslissing om het niet te weten.
Dit is de reden waarom opzettelijke onwetendheid een zwaarder moreel of karmisch gewicht heeft dan andere vormen van pseudo-onwetendheid. Autoriteit vergroot de schade. Wanneer een individu een rol vervult die van invloed is op anderen – zoals een manager, toezichthouder, ingenieur, journalist of administrateur – blijft zijn onwetendheid niet persoonlijk. Beslissingen die op basis van die onwetendheid worden genomen, verspreiden effecten verderop in de keten, en treffen vaak mensen die niet de macht hebben om het verzuim te compenseren. In dergelijke rollen is onwetendheid niet slechts een persoonlijk falen, maar een schending van de zorgplicht.
Veel voorkomende uitingen van opzettelijke onwetendheid zijn onder meer aansprakelijkheidsafschermende houdingen (‘We wisten het niet’ die worden gebruikt om de verantwoordelijkheid af te leiden), procedurefouten zoals het negeren van adviezen, normen of beleid die expliciet deel uitmaken van de rol, en juridische voorwendsels waarin een agent beweert dat hij zich niet bewust is, terwijl hij over gedeeltelijke kennis beschikt die beslissingen of uitkomsten wezenlijk zou veranderen als deze volledig zou worden erkend. Incompetentie, wanneer deze wordt volgehouden en niet gecorrigeerd in een rol die competentie vereist, vervalt vaak in opzettelijke onwetendheid in plaats van een neutrale beperking te blijven.
Diagnostisch gezien wordt opzettelijke onwetendheid gekenmerkt door de aanwezigheid van direct beschikbare informatie, gecombineerd met een gebrek aan redelijke inspanningen om deze te verwerven of toe te passen. De agent vermijdt documentatie, training, audits of verificatieprocessen die standaard zijn voor de rol. Wanneer zich fouten voordoen, wordt onwetendheid eerder als verdediging aangevoerd dan als een probleem dat moet worden verholpen. In tegenstelling tot vermijdende onwetendheid, die zich terugtrekt uit betrokkenheid, blijft opzettelijke onwetendheid vaak gezag uitoefenen, terwijl de epistemische verantwoordelijkheden die aan dat gezag verbonden zijn, worden afgewezen.
In ethische en karmische termen vertegenwoordigt opzettelijke onwetendheid het overschrijden van een drempel. Zodra een agent de voordelen van een rol accepteert – status, macht, discretie of vertrouwen – terwijl hij de kennisverplichtingen weigert die daarmee gepaard gaan, wordt onwetendheid verwijtbaar. Op dat moment is het niet-weten niet langer een voorwaarde, maar een keuze, en zijn de gevolgen van die keuze niet langer moreel neutraal.
Korte definitie:
Onwetendheid in contexten waar de persoon zou het moeten weten (rol/autoriteit impliceert minimale due diligence).
Voorbeelden: managers misbruiken statistieken die ze nooit hebben geleerd; journalisten die basisfeiten verkeerd citeren; systeembeheerders lezen geen kritische adviezen.
Het concept wordt ook toegepast op situaties waarin mensen opzettelijk hun aandacht afwenden van (een oogje dichtknijpen, de andere kant op kijken) een ethisch probleem dat door degenen die de uitdrukking gebruiken als belangrijk wordt beschouwd (bijvoorbeeld omdat het probleem te verontrustend is voor mensen om het in hun gedachten te willen hebben, of vanuit de wetenschap dat het oplossen van het probleem uitgebreide inspanningen zou vergen).
Als hun positie basiskennis vereist (manager, journalist, administrateur, ingenieur), heeft onwetendheid een zwaarder karmisch gewicht; vermijding wordt nalatigheid.
Manipulatieve onwetendheid
Bijbehorende terminologie:
Oneerlijk, oneerlijkheid
Bullshitter, onzin
Manipulatieve onwetendheid verwijst naar de doelbewuste prestatie van het niet weten met als doel het misleiden, verkeerd informeren, misbruik maken van vertrouwen, of het uitoefenen van controle over anderen. Het neemt dezelfde uiterlijke houding aan als goedaardige geveinsde onwetendheid – vragen, onzekerheid, schijnbare nederigheid – maar dan performatief en met de tegenovergestelde bedoeling. In plaats van het leren, de veiligheid of de relationele integriteit te dienen, wordt deze houding gebruikt om epistemisch werk uit te buiten, verantwoordelijkheid te laten ontsporen, dubbelzinnigheid wit te wassen, te misleiden, verkeerd te informeren of asymmetrische invloed te verkrijgen in sociale, professionele, juridische of politieke contexten.
In deze vorm is onwetendheid geen voorwaarde en geen ontwijkingsstrategie, maar een tactische vermomming. De agent weigert het niet alleen maar te weten; ze gebruiken actief de schijn dat ze niet weten hoe ze de manier waarop anderen redeneren, spreken of informatie vrijgeven, kunnen manipuleren. De pose beschermt het comfort, de status of de identiteit van de agent, terwijl de cognitieve en emotionele kosten op anderen worden afgewenteld. In tegenstelling tot vermijdende onwetendheid, die voornamelijk defensief verantwoordelijkheid vermijdt, is manipulatieve onwetendheid aanstootgevend en extractief.
Een bepalend kenmerk van manipulatieve onwetendheid is asymmetrie. De agent eist uitleg, verduidelijking of rechtvaardiging, zonder enige wederkerige inspanning, integratie of krediet. Vragen worden niet gesteld om te leren, maar om anderen ertoe aan te zetten kenniswerk te verrichten – het samenvatten, redeneren, contextualiseren of verdedigen van standpunten – dat vervolgens selectief kan worden genegeerd, verkeerd geciteerd, geplagieerd of bewapend. De interactie is zo gestructureerd dat de tijd en moeite van de andere partij gestaag toenemen, terwijl de investering van de manipulator gelijk blijft.
Een veelvoorkomend patroon is epistemische phishing: de agent onderzoekt schijnbaar onschuldige vragen totdat anderen inzichten, strategieën of werkproducten onthullen. Eenmaal eruit gehaald, kan deze informatie opnieuw worden verpakt als die van de agent, ontdaan van toeschrijving, of vervormd en opnieuw ingezet (verkeerde informatie) ten opzichte van de oorspronkelijke bron. Nauw verwant is onderhandelingszandzakken, waarbij de agent onwetendheid veinst om de andere partij ertoe te bewegen prijsstructuren, beperkingen of prioriteiten bekend te maken, om vervolgens de houding te veranderen zodra er sprake is van machtspositie.
Een andere veel voorkomende manifestatie is het witwassen van dubbelzinnigheid. (Handelaar van twijfel) Hier neemt de agent een houding aan van ‘niet weten’ in publieke rollen – zoals public relations, bedrijfscommunicatie of juridische contexten – terwijl beslissingen nog steeds worden genomen alsof de relevante feiten worden begrepen. Uitspraken als “we onderzoeken het” of “we zijn niet op de hoogte van problemen” of “het is onmogelijk om te weten / er is veel onenigheid” blijven voor onbepaalde tijd bestaan, waardoor de schijn van een eerlijk proces wordt gewekt en tegelijkertijd een oplossing wordt voorkomen (zoals met roken en ontkenning van de klimaatverandering). De onwetendheid verdwijnt nooit, maar de schijn ervan dient als een schild tegen kritisch onderzoek.
Manipulatieve onwetendheid wordt ook gebruikt voor superioriteitsvertoningen. In dit patroon bagatelliseert de agent zijn of haar kennis of competentie, nodigt hij uit tot uitleg en komt vervolgens met een onthulling: hij maakt de andere partij belachelijk, verkeerd geïnformeerd (propaganda) of vernedert. Het doel is niet de waarheid, maar dominantie. Dit is vooral ondermijnend in samenwerkings- of vriendschapscontexten, waar vertrouwen wordt uitgebuit om later een hinderlaag op te zetten.
In discourssettings verschijnt manipulatieve onwetendheid vaak als een lastverschuivend onderzoek. De agent stelt eindeloze basisvragen (definieer het woord wat, definieer is (een veelgebruikte tactiek van Jordan Peterson)) of niet-falsifieerbare vragen – ‘hoe veeg ik een tafel af?’ – die anderen dwingen tot micromanagement of herstelverklaringen. Antwoorden worden nooit geïntegreerd; in plaats daarvan eist de agent een reset, herformuleert de vraag (verplaatst de doelpalen) of claimt opnieuw verwarring. Deze ‘reset’-lus put de goede wil uit, terwijl de fictie van betrokkenheid op performatieve wijze behouden blijft.
Affect is een belangrijk diagnostisch signaal. In plaats van nieuwsgierigheid is de toon glibberig, ontwijkend of performatief – vaak geformuleerd als ‘gewoon vragen stellen’. Wanneer er antwoorden worden gegeven, draait de agent zich om, wijkt af, interpreteert opzettelijk verkeerd of vergeet selectief. Doelpalen verschuiven. Bewijsmateriaal wordt omzeild (genegeerd) in plaats van weerlegd. Redenen worden uit hun context geciteerd om stromanargumenten te construeren. De interactie lijkt oppervlakkig gezien op onderzoek, maar mist de wederkerige structuur van een dialoog te goeder trouw. Dit is typisch het gedrag dat geassocieerd wordt met persoonlijkheidskenmerken van de ‘Bezorgde trol’.
Verschillende herkenbare subtypes vallen onder manipulatieve onwetendheid. Deze omvatten epistemische phishing, superioriteitszandzakken, het witwassen van dubbelzinnigheid, juridische voorwendsels door middel van claims van niet-bewustzijn, ontkenningslussen die herhaaldelijk eerdere verklaringen tenietdoen, en narcistische oogst-en-vernederingspatronen waarin informatie wordt geëxtraheerd, omgedoopt tot en vervolgens gebruikt om publiekelijk desinformatie over de oorspronkelijke bron te vernederen of te verspreiden. In de meest agressieve vormen is reputatieschade geen bijwerking, maar het doel. Het is een vorm van sociaal pesten die vaker voorkomt bij vrouwen dan bij mannen, omdat het een passief-agressieve tactiek is.
Diagnostisch gezien wordt manipulatieve onwetendheid gekenmerkt door het herhaaldelijk omzeilen van beschikbaar bewijsmateriaal, escalerende eisen om uitleg zonder integratie, niet-falsifieerbare of eindeloos opnieuw gestelde vragen, en duidelijke asymmetrie van inspanningen. Het begrip van de agent wordt nooit zichtbaar bijgewerkt, maar hun vermogen om de interactie te benutten verbetert. In de loop van de tijd ervaart de andere partij een toenemende cognitieve belasting, stress en frustratie, terwijl de manipulator plausibele ontkenningen handhaaft.
Dit kan zich ook uitstrekken tot epistemische sabotage waarbij het proces van betekenisgeving zelf wordt aangevallen met de postmoderne ‘logica’ van moreel relativisme, die zo ver gaat dat hij de mogelijkheid van waarheidsclaims of niet-subjectieve observatie van de werkelijkheid ontkent. (Zoals de ontkenning van het meten van de werkelijkheid door wetenschappelijke instrumenten als een objectieve waarheid)
Deze vorm van onwetendheid vormt epistemische uitbuiting: het verkrijgen van inzicht, arbeid of duidelijkheid van anderen door middel van kwade trouw, vijandig affect of strategische onwetendheid, zonder wederkerigheid of krediet. Het is een directe schending van de principes van epistemische wederkerigheid en coöperatief onderzoek. Kennis die wordt verkregen zonder erkenning, integratie of respect degradeert zowel de kenner als de interactie.
In ethische termen vertegenwoordigt manipulatieve onwetendheid de omkering van onderzoek. De normen die leren en dialoog mogelijk maken – naastenliefde, geduld, eerlijke uitleg (goede trouw) – worden omgezet in kwetsbaarheden die kunnen worden uitgebuit (kwade trouw). Op deze manier verkregen wijsheid integreert niet; het corrodeert. Als praktisch antwoord mag verdere verduidelijking niet worden beloond als het patroon eenmaal duidelijk is. Er kunnen één keer letterlijke antwoorden worden gegeven als een extern publiek er baat bij heeft, maar voortdurende betrokkenheid vergroot doorgaans de schade. Documentatie, het stellen van grenzen en escalatie naar gematigdheid of institutioneel beleid zijn vaak de juiste volgende stappen.
Definitie
Voorgewend niet-weten wordt gebruikt om anderen te misleiden, verkeerd te informeren, de schuld te geven, uit te buiten of te manipuleren.
Dezelfde uiterlijke houding als geveinsde onwetendheid, met tegengestelde bedoelingen
De houding beschermt opportunisme, comfort, status of identiteit terwijl de kosten op anderen worden afgewenteld.
- Identiteitsbeschermend (stamidentiteit > feiten)
- Dubbelzinnigheid witwassen: PR-stijl “geen idee” dat nooit wordt opgelost terwijl beslissingen doorgaan alsof ze geïnformeerd zijn.
- Onderhandelingszandzakken: speel dom om de ander ertoe te bewegen prijshefbomen te onthullen, en spring dan in actie.
- _Performatieve onwetendheid (PR, trollen, rechtszaal, sociale macht) ← “algemene kennis” + houding/misleiding
- Epistemische phishing (onderzoek naar kennis om deze te stelen)
- Lastenverschuivend onderzoek: eindeloos “hoe veeg ik een tafel af?” om anderen basistaken op microniveau te laten beheren.
- ‘kritiek afbuigen’, ‘bombarderen met vragen’ waardoor het werk op anderen wordt afgewenteld.
Gemeenschappelijke signalen
- Uitdagende vragen → spot of “gotcha” nadat je hebt geantwoord.
- Misleiding na duidelijke feiten; selectief ‘vergeten’.
- Asymmetrische eisen zonder krediet.
- Vraagt herhaaldelijk om redenen en citeert vervolgens stukken uit hun context tegen stroman.
- Bewijs beschikbaar, maar herhaaldelijk genegeerd.
- Doelpaal verschuift na antwoorden; misleiding in plaats van update.
- Asymmetrische inspanning: jouw tijd stijgt terwijl die van hen gelijk blijft. Gish-Galop.
- Affect is eerder glibberig (‘alleen maar vragen stellen’) dan nieuwsgierig.
Diagnostische markeringen: bewijsmateriaal is beschikbaar en wordt herhaaldelijk omzeild. Nadat ze antwoorden hebben ontvangen, draaien, buigen of veranderen ze het frame (verplaatsen de doelpalen) in plaats van bij te werken. Verzoeken om uw tijd komen terug zonder wederzijdse inspanning (geen bronnen, geen samenvattingen, geen poging). Affect is eerder glibberig dan nieuwsgierig; vragen zijn niet te falsificeren of worden eindeloos opnieuw gesteld.
In tegenstelling tot bedrieglijke/ontwijkende patronen (die vooral de verantwoordelijkheid ontwijken), exploiteert manipulatieve onwetendheid de houding om asymmetrisch voordeel te behalen – kennis oogsten om plagiaat te plegen, dubbelzinnigheid witwassen voor PR. Dit is de duistere neef van geveinsde onwetendheid: dezelfde uiterlijke houding, tegenovergestelde morele valentie.
Misleiding na duidelijk bewijs; “gotcha”-toon. Asymmetrisch beslag op uw tijd zonder krediet of integratie.
Reset-naar-nul-loops om het goede goed te benutten en de stress te vergroten, door buitensporige inspanningen te leveren door voortdurend vanaf het begin uit te leggen.
Veelvoorkomend gedrag: veeleisende resets, 'beide kanten'-mist, alleen gemaksgevoel, eindeloze basisvragen die het werk op anderen afschuiven.
schulden verschuiven, weigering om te updaten (Dunning-Kruger-kleuring).
Veel voorkomende subtypen
- Epistemische phishing (onderzoek totdat anderen werkproducten morsen).
- Superioriteitszandzak (onderspel en dan hinderlaag).
- Witwassen van dubbelzinnigheid (PR ‘we onderzoeken het’ dat nooit wordt opgelost).
- Juridische voorwendsels (misleidende raadsman/rechtbank via “geen idee”).
- Narcistische lus van oogsten en vernederen.
- Superioriteit door misbruik van vriendschap (oogsten en dan vernederen),
- Denial loops (eerdere antwoorden weigeren om anderen uit te putten)
Diagnostiek
Bewijs beschikbaar maar genegeerd; eist "resets" om hun herhaalde schulden te verbergen zonder ooit een bijdrage te leveren; niet-falsifieerbare vragen; jouw tijd/inspanning neemt toe terwijl die van hen gelijk blijft; glad affect (sociale kameleon) in plaats van nieuwsgierigheid.
Narcistische vorm
“Vriendschapsmisbruik superioriteit”: klassiek Manipulatieve onwetendheid patroon: geveinsd niet-weten om informatie te extraheren, vervolgens plagiaat en historische ontkenning. ("Ik heb dat altijd geloofd", of "dat was mijn idee") en vervolgens belachelijk gemaakt; publiekelijk onderdompelen; slagkracht scoren. Dit is het bewapende voordeel; vernedering is waar het om gaat.
Diagnostiek
Misleiding na duidelijke feiten; Ontkenning van gegeven informatie, asymmetrische ‘bewijs’- of verklaringseisen, muggenziftende samenvattingen; vraag-resetlussen.
Affect is eerder glibberig dan nieuwsgierig; vragen zijn onfalsifieerbaar of worden eindeloos opnieuw gesteld.
Reactiebeleid
Beloon niet met verdere duidelijkheid. Antwoord letterlijk één keer als een extern publiek hiervan profiteert, en schakel vervolgens uit. Documentpatronen; escaleer indien van toepassing naar moderatie/beleid.
Dit is een veel voorkomende tactiek voor Epistemische uitbuiting
Het verkrijgen van inzicht, arbeid of duidelijkheid van anderen door middel van kwade trouw, vijandig affect of strategische onwetendheid, zonder wederkerigheid of krediet.
Een directe schending van juiste wederkerigheid. Wijsheid die zonder eer wordt genomen, wordt vergif voor beide partijen.
Gefabriceerde onwetendheid (agnotologie)
Bijbehorende terminologie:
Propaganda
Desinformatie
De geprofessionaliseerde versie van manipulatieve onwetendheid, die vaak wordt vermomd als “marketing” of “reclame” of “imagobeheer” als eufehmismen voor het verspreiden van desinformatie, desinformatie en propaganda.
Institutionele of systemische productie van niet-weten (propaganda, duistere PR, opzettelijke dubbelzinnigheid in beleid).
Systemische creatie van twijfel of verwarring voor macht of winst.
Dit is het macroveld waar kwaadaardige onwetendheid weegschaal.
- Witwassen van dubbelzinnigheid (beleidsregels die de verantwoordelijkheid verdoezelen)
- Bescherming tegen aansprakelijkheid: ‘Ik wist het niet’ om de gevolgen te ontwijken. (afkomstig uit de tabaksindustrie en de fossiele-brandstofindustrie, maar verspreid over vele industrieën, van de chemische tot de farmaceutische industrie) is het voornaamste voorbeeld van de banaliteit van het bedrijfsleven. Een woordvoerder beweert “geen kennis” te hebben van een kwestie, of “onenigheid onder wetenschappers” (betaalde industrieshills die niet verbonden zijn aan enige onderwijsinstelling), terwijl hij zich op juist die onwetendheid beroept om een publieke beslissing te misleiden.
Schadelijke onwetendheid
Bijbehorende terminologie:
kwaadwillige domheid
kwaadwillige idioot, kwaadaardige idiotie
Schadelijke onwetendheid
Kwaadwillige onwetendheid verwijst naar het strategische en instrumentele gebruik van het niet-weten – of de uitvoering van het niet-weten – met als doel schade te veroorzaken. In tegenstelling tot andere vormen van pseudo-onwetendheid is kwaadaardige onwetendheid niet alleen gericht op vermijding, zelfbescherming of zelfs op asymmetrisch voordeel. Het bepalende kenmerk ervan is epistemische sabotage: de opzettelijke verslechtering van gedeeld begrip, discours en coördinatie van de werkelijkheid. In deze vorm is onwetendheid geen tekort dat moet worden verholpen, maar een hulpbron die moet worden geëxploiteerd.
Kwaadwillige onwetendheid is daarom geen onwetendheid in de onschuldige of beschrijvende zin. Het is een manier van handelen waarbij onzekerheid, dubbelzinnigheid en verwarring opzettelijk worden vergroot om de schuld te werpen of af te schuiven, de verantwoordelijkheid te ondermijnen of door middel van extremisme schade in de echte wereld te veroorzaken. Het doel van de agent is niet louter om een gesprekspartner te misleiden, maar om de betekenis zelf te destabiliseren – waardoor de waarheid niet meer te onderscheiden is van onwaarheid, de expertise niet te onderscheiden is van meningen, en het bewijsmateriaal niet te onderscheiden is van verhalende beweringen.
Een kernkenmerk van kwaadwillige onwetendheid is dat kennis wordt vermeden of ontkend omdat het gedrag zou beperken. Feiten zijn niet lastig; ze zijn vijandig. Als gevolg hiervan gaat deze vorm van onwetendheid vaak gepaard met pesten, bezorgd trollen, vijandig affect of nep-sceptische houdingen die kritisch onderzoek nabootsen en tegelijkertijd de normen ervan verwerpen. Veel voorkomende retorische bewegingen zijn onder meer een beroep op radicale onzekerheid (“niemand weet het echt”), valse gelijkwaardigheid (“dat is slechts jouw mening”) en onvervalsbaar scepticisme (“dat kun je niet bewijzen”), allemaal ingezet om het vertrouwen in bewijsmateriaal uit te hollen in plaats van om het te evalueren.
Kwaadwillige onwetendheid fungeert vaak als motor van desinformatie en desinformatie. Terwijl desinformatie kan voortkomen uit fouten of verdraaiingen, behandelt kwaadwillige onwetendheid onwaarheden instrumenteel, waarbij verzonnen of onsamenhangende verhalen worden ingezet om betekenisgevingsprocessen te overweldigen. Dit neemt vaak de vorm aan van selectief verkeerd interpreteren/misverstaan, meedogenloos herkaderen, of ‘de zone overspoelen’ met tegenstrijdige beweringen, zodat correctie cognitief onhaalbaar wordt (als gevolg van incoherentie). Het doel is niet overtuiging door samenhang, maar verwarring en uitputting door verzadiging.
In sociale en politieke contexten ligt kwaadaardige onwetendheid ten grondslag aan tactieken die gewoonlijk worden omschreven als psychologische operaties. Het maakt reputatieaanvallen, stochastische schade en de mobilisatie van tussenpersonen mogelijk – vaak ‘nuttige idioten’ genoemd – die verhalen propageren zonder de oorsprong of gevolgen ervan te begrijpen. Het mechanisme vereist niet dat de meerderheid van deelnemers kwaadwillig handelt; het berust in plaats daarvan op een klein aantal opzettelijke actoren die vertrouwen, verontwaardiging en algoritmische versterking uitbuiten om grootschalige stroomafwaartse effecten teweeg te brengen.
Dit patroon is niet incidenteel of louter pathologisch. Uit historisch en institutioneel bewijsmateriaal blijkt dat epistemische sabotage lange tijd werd opgevat als een doelbewuste strategie. Handleidingen zoals de Simple Sabotage Field Manual beschrijven expliciet methoden om organisaties te ontwrichten door verwarring, procedurele overbelasting en intern wantrouwen te veroorzaken. Kwaadwillige onwetendheid werkt volgens hetzelfde principe: verslechtert de coördinatie door het gedeelde begrip aan te vallen in plaats van de fysieke infrastructuur. Vaak onder het mom van fundamentalisme of extremisme.
Hoewel populaire aforismen zoals Hanlons Razor waarschuwen voor het overmatig toeschrijven van boosaardigheid aan incompetentie, vertegenwoordigt kwaadaardige onwetendheid de randvoorwaarde waarin die heuristiek faalt. Hoewel de meeste individuen niet actief proberen anderen schade te berokkenen, kan uitbuiting binnen bepaalde culturele, institutionele of ideologische omgevingen genormaliseerd worden. In hiërarchische of feodale machtsstructuren kan kwaadwillige onwetendheid weinig moeite kosten en weinig risico met zich meebrengen, omdat autoriteit de actor beschermt tegen aansprakelijkheid, terwijl desinformatie de onthulling verdoezelt.
De energetische kosten van kwaadaardige onwetendheid zijn niet triviaal. Aanhoudende epistemische sabotage vereist inspanning, herhaling en vaak coördinatie. Moderne communicatiesystemen verlagen deze kosten echter dramatisch door versterking zonder verificatie mogelijk te maken en door betrokkenheid boven nauwkeurigheid te belonen. In dergelijke omgevingen kan kwaadaardige onwetendheid industrieel worden opgeschaald (met bots, spam en ‘gepromoot berichten’ of ‘reclame’ (propaganda) vermomd als inhoud), waardoor wat anders een onstabiele strategie zou zijn, in een hardnekkige strategie verandert.
Op interpersoonlijk niveau komt kwaadaardige onwetendheid vaak voor in patronen van ‘vriendschapsmisbruik’. Hier wordt bewapende nieuwsgierigheid gebruikt om inzicht, strategie of emotionele onthulling te verkrijgen, gevolgd door historische ontkenning (“dat heb ik altijd geloofd”), plagiaat, valse toeschrijving, valse associatie of reputatieaanvallen. Het effect is eerder vijandig dan collaboratief. Het doel is niet begrip, maar dominantie en reputatieschade.
Diagnostische kenmerken van kwaadwillige onwetendheid zijn onder meer aanhoudende misleiding na duidelijk bewijs, ontkenning van eerder verstrekte informatie, asymmetrische eisen om bewijs of uitleg, onsamenhangende / tegengestelde beweringen en herhaalde reset-loops (waarbij oneindige kansen worden geëist) die zijn ontworpen om anderen uit te putten. In tegenstelling tot manipulatieve onwetendheid, die nog steeds de schijn van betrokkenheid kan behouden, vertoont kwaadaardige onwetendheid geen traject naar een oplossing. Vragen zijn niet te falsificeren, antwoorden worden nooit geïntegreerd, en de interactie vergroot systematisch de vijandigheid, polarisatie en stress voor anderen, terwijl er geen sprake is van gedeelde vooruitgang of wederkerige inspanningen.
Filosofisch en ethisch gezien vertegenwoordigt kwaadaardige onwetendheid een karmische omkering. Het bewapent de afwezigheid van toewijding aan de waarheid om asymmetrische macht te genereren, waardoor vertrouwen en goede trouw worden omgezet in uitbuiting. Waar onderzoek onzekerheid behandelt als iets dat moet worden opgelost, behandelt kwaadaardige onwetendheid onzekerheid als een instrument dat in geld kan worden omgezet, gepolitiseerd of bewapend. Als zodanig is het onverenigbaar met normen van het juiste discours, epistemische wederkerigheid en coöperatieve betekenisgeving.
Kwaadwillige onwetendheid schaadt niet alleen individuele interacties; het tast de omstandigheden aan waaronder kennis, vertrouwen en coördinatie überhaupt mogelijk zijn. Wanneer het wordt genormaliseerd, transformeert het onwetendheid van een basisvoorwaarde bij het leren in een instrument van overheersing. Op dat moment is het juiste antwoord niet langer verduidelijking, geduld of liefdadigheid, maar inperking: handhaving van de grenzen, documentatie, institutionele interventie en, waar nodig, weigering om mee te doen. Individuen die deze tactieken tentoonspreiden, zijn een vector van culturele rotting die moet worden uitgesloten.
Definitie
Bewapend niet-weten, ontworpen om schade toe te brengen, te onttrekken of te ontsporen, het discours te saboteren of verwarring te bewapenen.
Een strategisch of instrumenteel gebruik van onwetendheid, waarbij niet-weten (of doen alsof je het niet weet) wordt gebruikt om schade toe te brengen, te manipuleren, arbeid te onttrekken of de schuld af te schuiven.
Kwaadaardige onwetendheid is helemaal geen onwetendheid in de onschuldige zin: het is epistemisch saboteren. Het beschouwt onzekerheid als een hulpbron die moet worden uitgebuit in plaats van opgelost.
Strategisch gebruik van niet-weten (of doen alsof je het niet weet) om schade aan te richten, arbeidskrachten uit te lokken of het discours te saboteren.
Diagnostische kenmerken: selectief misverstand; asymmetrisch beslag op uw tijd; weigering om te reageren.
Kenmerkend kenmerk: niet alleen de waarheid vermijden, maar ook onwetendheid gebruiken als schild om de betekenisgeving te laten ontsporen of te saboteren.
Belangrijkste kenmerken
- Kennis wordt vermeden of ontkend omdat het gedrag zou beperken
- Vaak gepaard met pesten, trollen of vijandige gevoelens
- Gebruikt dubbelzinnigheid als wapen
- Veel voorkomende uitdrukkingen zijn: 'Dat kun je niet bewijzen', 'Dat is maar jouw mening' of 'Niemand weet het echt'.
- Twijfel zaaien (handelaren van verwarring)
- Vaak een bron van desinformatie en desinformatie
Cross-links
Gaslight-lus • Witwassen van dubbelzinnigheid
Favoriete citaten:
“Schrijf nooit iets toe aan kwaadaardigheid dat ook voldoende verklaard kan worden door domheid.”
Variaties op Hanlon's Razor
Waarschijnlijkheid: De meeste mensen proberen niet actief anderen schade te berokkenen; ze zijn gefocust op hun eigen doelen, die mogelijk in strijd zijn met die van jou. Tenzij uitbuiting een culturele norm wordt (onverdraagzaamheid). Het is evenzeer juist om te zeggen dat veel mensen actief proberen anderen uit te buiten. Dat is de standaardmodus in het feodalisme en kwaadaardig narcisme. Sociale media hebben dit cultureel gezien dramatisch vergroot en zijn het doel van de dynamiek van polarisatie. (verdeel en heers-strategie)
Energiekosten: Kwaadwillige acties vergen inspanning, geheimhouding en het risico om ontmaskerd te worden — veel mensen zouden daar simpelweg geen moeite voor doen. Deze sociale machtsdynamiek is echter het doel van hiërarchie in feodale systemen. Wanneer de positie in de feodale hiërarchie ervoor zorgt dat dit weinig moeite kost, geen geheimhouding vereist en ontmaskering wordt verhuld door de zone te overspoelen met verkeerde informatie en desinformatie (de belangrijkste tactiek van Fox “News” en de meeste extreemrechtse propaganda).
Menselijke aard: Vergeetachtigheid, misverstanden en onhandigheid maken deel uit van het dagelijkse leven. Bepaalde persoonlijkheidstypes, zoals kwaadaardig narcisme (dat wordt bevorderd door sociale media), internaliseren echter kwaadwillige onwetendheid als een ‘retorische tactiek’, omdat het uitbuiten van het vertrouwen en de goede wil van andere mensen als een voordeel wordt beschouwd, terwijl vertrouwen en goede wil als een zwakte worden gezien.
Dit is ook de meest voorkomende dynamiek van banaliteit binnen bedrijven en is een veelgebruikte tactiek in ‘kantoorpolitiek’, met name om competente mensen aan te vallen. Daarom is het ook een veelgebruikte methode voor anti-intellectuele pseudo-intellectuelen om te ‘concurreren’ in bedrijfsomgevingen.
Vriendschapsmisbruik
Wapening van ‘nieuwsgierigheid’ om kennis te plagiaat, gevolgd door vernedering.
Kenmerken: superioriteitsgevoel; competitieve of ‘vijandige’ houding.
Verraadt zich door: na je antwoord beter willen zijn, lokkertjes gebruiken.
Filosofische opmerking
Kwaadwillige onwetendheid is helemaal geen onwetendheid in de onschuldige zin van het woord – het is epistemische sabotage. Het behandelt onzekerheid als een bron die moet worden uitgebuit in plaats van opgelost.
Dit is karmische omkering: het gebruik van het ontbreken van toewijding aan de waarheid om asymmetrische macht te genereren. Het is onverenigbaar met Juist Discours en Juiste Wederkerigheid.
De lamp is kapotgeslagen zodat niemand anders het kan zien.
